Over natuur en de stad

door Han van Hulzen

Lente voor stadsplanten april 23, 2014

Esdoorns Heemraadssingel Rotterdam

Esdoorns langs de Heemraadssingel te Rotterdam

Echte stadsplanten bestaan niet, alhoewel sommige soorten het wel heel erg naar hun zin hebben hier. Stadsplanten zijn voor grootste deel nog aangepast aan de omgeving waar zij oorspronkelijk vandaan kwamen zoals graslanden of bossen. Sommigen hebben aanpassingen die goed van pas komen zoals de tredplanten. Of ze groeien op zonder enige vorm van concurrentie in een goed bemest plantsoen. Maar, met hun oorspronkelijke habitat in gedachte, begrijp je ineens veel meer van hun groeiwijze.

Nergens is de groeirace om licht groter dan in een bos. Wie het hoogst komt en alle andere overschaduwd, wint. De solitaire bomen in de stad gaan nog steeds omhoog omdat ze nu eenmaal zo voorgeprogrammeerd zijn, maar hun concurrenten staan op veilige afstand. Als je niet meedoet aan deze wedloop en klein blijft, moet je supersnel zijn als de lente aanbreekt. Je bloeiperiode moet al afgerond zijn voordat bomen hun trage wortelwintersappen bij hun wachtende knoppen gebracht hebben. Dat doen sommige bol-, knol- of wortelstokgewassen die in de zomer hiervoor een voorraad “plantaardige raketbrandstof” aanleggen zoals Anemonen en Hyacinten.

Maar hoe weten ze dat ze op tijd zijn? Temperatuur is onbetrouwbaar, daar zijn we nu wel achter, als modern broeikasmens. Planten gebruiken daarom hun genetisch oergeheugen en laten zich niet verrassen. Die vertrouwen alleen op onze oude goden, de zon en de maan en hun voorspelbare komen en gaan. Maar je moet wel continue meten. En dat doen planten. Zo heb je lang- en kortedagplanten. De boskruiden zijn dus kortedagplanten. Als je echter specifieke bestuivers nodig hebt kun je beter even wachten. Dat doen langedagplanten, of wel onze zomerbloeiers.

Ook de seizoenen worden gemeten. Maar het hoeft gelukkig niet te vriezen voor een plant om te weten dat het winter is. Een langere periode tussen 4 en 8 graden is voldoende. Een zachte winter is voor een (stads)plant niks bijzonders.

foto Anemone nemorosa: Door Meneerke bloem (Eigen werk) [GFDL (http://www.gnu.org/copyleft/fdl.html) undefined CC-BY-SA-3.0-2.5-2.0-1.0 (http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0)], via Wikimedia Commons

Anemone nemorosa

 

Een stad vol mossen april 4, 2014

Filed under: Stadsnatuur — Han van Hulzen @ 8:51 am
Tags: , , , , ,
Bryum argenteum - Zilvermos bron:  http://www.kuleuven-kortrijk.be/bioweb/

Zilvermos

Op bomen, in je dakgoot, onder het straatmeubilair, op oude muren, als groen tapijt tussen het gemaaide plantsoengras, je vindt ze overal. Er is gedurende de evolutie een enorme variatie ontstaan. Honderden verschillende soorten zijn er in Nederland. De enorme rijkdom aan microklimaten en ondergronden in de stad verschaft veel mossoorten een habitat. Sommigen groeien het liefst op steen anderen op hout, klei of zand. Het is bijna niet te geloven maar beton is zeer geliefd bij veel soorten mos. Zelfs zonnige plekken kunnen geschikt zijn als zo’n mos zijn waterverlies weet te beperken door bijvoorbeeld witte haren zoals het Zilvermos.

Het zijn de oudste nu nog bestaande landplanten. Ze zijn alom tegenwoordig en leven bijna letterlijk van de lucht. Noodgedwongen klein omdat ze geen vaten hebben en geen echte wortels bevolken ze de kleinste kiertjes tussen de straattegels. Daar is het ook lekker vochtig en dat is voor de meeste mossen een levensvoorwaarde. Water en voedingstoffen worden direct door de bladeren opgenomen.

Tussen potentiële mannelijke en vrouwelijke partners moet de afstand niet al te groot zijn dacht men tot voor kort. Want de zaadcel moet al zwemmend de eicel zien te bereiken. Maar neem nou het Gewoon purpersteeltje. Gewoon omdat je het overal tegen komt in de stad, maar geraffineerd in communicatie. Met een speciale geur weet het springstaarten te lokken die de zaadcellen van de mannelijke naar de vrouwelijke plant brengen. Wat je met bloemen en bijen hebt, gebeurt dus ook in de microwereld onder je voeten.

Gun je zelf even geen haast te hebben en bekijk zo’n mos eens van dichtbij. En waarom zijn die begraafplaatsen en oude muren van kerken en kloosters en ruïnes toch zo mooi?

Gewoon purpersteeltje

Gewoon purpersteeltje

 

 

Het Abtswoudse bos februari 2, 2014

Abtswoudse bos - foto:  M.M.Minderhoud

Abtswoudse bos – foto: M.M.Minderhoud

Wie denkt dat er geen natuur is rond Rotterdam, heeft het gewoon nog niet ontdekt. Vanuit de trein op weg naar Delft zag ik het in de jaren 90 ontstaan. Ingeklemd tussen alsmaar uitdijende kolonies stadsmensen was er desondanks nog die ouderwetse polder. Doorsneden met veel slootjes en alleen vanuit de enkele langgerekt weg- en spoorverbindingen tussen Delft en Rotterdam te aanschouwen. Onvermijdelijk bijna zo lijkt het, het moest natuur worden waar je niet alleen dromend over uit kan kijken.

Zompig bos was het ooit, te midden van een langzaam wegrottende  plantenmassa. Gelukkig herinneren de namen ons nog daaraan, zoals die van het buurtschap Abtswoude. En meer westelijk de Stinksloot in de buurt van Zouteveense- en Oostveenseweg. Als je op houdt te beheren, wordt het vanzelf weer wat het ooit was. Maar dat gaat mensen te langzaam en is te wild. Een dankbaar object voor de zwerm ontwerpers in de nabije omgeving.

Het Abtswoudse bos wordt in Wikipedia dan ook aangeduid als een landartproject. Hoe kunstmatig dit ook klinkt, het is er heerlijk toeven, en de natuur gaat gewoon haar gang. In dit coulisselandschap dat in de verte zelfs aan een savanne doet denken kunnen we ons jagers verzamelaars instinct helemaal uitleven. Past ook mooi in de huidige tijdgeest. Maar ben je toch nog verslaafd aan graanproducten, dan kun je hier je overtollige suikers kwijt. Beeld je wat wilde roofdieren in en pluk de ruim voorradige bessen. Met wat geluk zie je de lepelaar, hoor je de grutto’s en zie je sneeuwganzen overvliegen. Achter een van de vele bosschages kun je ongezien en windstil recreëren.

 

Een tentoonstelling van natuur december 20, 2013

foto van getijdekreek Eiland van Brienenoord

getijdekreek Eiland van Brienenoord

De taal van water spreekt hier rond Rotterdam. Eroderend, inunderend, landschapvormend water aangevoerd door rivieren of uit de grond opwellend, het zit ons op de hielen. Wilde natuur heeft iets bedreigends, maar dat geldt vooral voor “natte” natuur. Zelfs de Romeinen die zo’n beetje in staat waren alles te trotseren werden ontmoedigd bij de aanblik van de ongrijpbare warboel aan waterlopen, veen, moeras, slappe grond, wilde vegetatie op een meters dikke laag rottende planten. Hier was voor hen de grens bereikt van wat er te veroveren viel. Wat daarachter kwam oversteeg de fantasie van een duistere droom. Enkel een reus zou misschien in staat zijn van donk tot donk te springen zonder in deze onpeilbare onderwereld te verdwijnen. De naam Rotterdam refereert nog aan de rottende bodem waarop we ons gevestigd hebben. Alhoewel we het onmogelijke voor elkaar gekregen hebben, zijn er toch nog een heel aantal plekken over die op zijn minst doen denken aan hoe het eens was.

Restanten van oude getijdennatuur vind je langs de oude Maas. Meestal oude grienden, zoals Visserijgriend en de Rhoonse grienden. Bewaard gebleven omdat we het maar lichtjes hoefde te ontginnen om in onze behoefte aan wilgentenen te voorzien. Een wilgenakker dus, maar doorsneden door wild aandoende kreken en nu zeldzame getijde-soorten zoals de Spindotter en het Zomerklokje, Bittere veldkers en Rivierkruiskruid.

Als we de controle even zouden verliezen komt het snel terug, het laagveen. Eerst heb je stilstaand voedselrijk water met Krabbenscheer, Fonteinkruid, Blaasjeskruid en Gele plomp. Dat wordt langzaam trilveen; een drijvend eilandje waarop slaapmossen en schijngrassen zich kunnen vestigen. Springstamp en voel de grond golven onder je voeten. Dat zijn de plekken waar nu volkstuintjes zijn en veenweiden, laagveenrestanten. Hoe dik het veen ooit was kun je je voorstellen door langs het riviertje de Rotte te lopen. Eens een afwateringsstroompje van veenwater maar het ligt nu meters hoger dan het omringende landschap.

Wie kent de getijdekreken op het Brienenoordeiland, zeldzaam maar midden in stad? De repen laagveen in de Krimpenerwaard, waar nu vee graast zien we een enkele keer per jaar op zondag. Langs het Rotterdam doorsnijdende Nooderkanaal, maar toch half verborgen, vind je typische oevervegetatie met Zwarte els, Groot hoefblad, Watermunt en Grote lisdodde.

Waarom al dat moois niet tentoonstellen zodat meer mensen het vaker zien en notie krijgen van hun eigen habitat? Dat is nu precies wat het “drijvende eilanden” project beoogt. Bedacht voor de bassins van het voormalige drinkwaterleidingterrein in de wijk de Esch in Kralingen. Eilanden met voorbeelden van “natte natuur” uit de omgeving van Rotterdam. Een minigriend, een drijvende oever, een rietlandje, of zelfs een ondergedoken eiland met bijvoorbeeld Lisdodde. Stel je een drijvende kruidentuin voor met Watermunt, Valeriaan, Engelwortel, omringd door Waterkers.

Foto van drijvende tentoonstelling van "natte" natuur, DWL terrein de Esch, Kralingen

Drijvende tentoonstelling van “natte” natuur, DWL terrein de Esch, Kralingen

Drijvende eilanden project op facebook

 

Het geheim van de paddenstoel december 2, 2013

vliegenzwam

vliegenzwam

Bomen doen nog even hun best in het pronken met hun meest gloedvolle bladerkleed. Maar nu is het de beurt  aan hun ondergrondse en binnenshoutse metgezel, de schimmel. Overal in de stad duiken ze op uit het niets, zo lijkt het, de paddenstoelen. Het zijn de vruchten van een schimmel die bloeit op de hoogtijdagen van verval en verrotting.

Het leven van schimmels speelt zich grotendeels af in het onzichtbare. Als we dan ook nog het enige zichtbare deel vooral in het meest schemerige jaargetijde te zien krijgen, en dit vaak een hallucinerende werking heeft. Ja, dan kun je bijgeloof verwachten en ga je bijna zelf in een hogere bedoeling geloven. Maar zonder de duistere krachten van schimmels zou het eenvoudig weg geen lente worden. Ze zijn de grote opruimers en omzetters die in stilte alle lawaaiige bladblazers belachelijk maken.

Naast dat ze alle planten door recycling voorzien van mineralen, werken ze ook in symbiose samen met vooral bomen. Ze omgeven wortels met hun draden en beschermen ze zo tegen uitdroging, giftige stoffen en parasieten. Deze mycorrhiza zoals die van kabouter Spillebeen met rood en witte stippen, de vliegenzwam (eik, beuk, giftig, hallucinerende werking) of de fopzwam (loofbomen, eetbaar) zijn in hun volle glorie immens van afmeting en capaciteit. Dan heb je het over meer dan meters, soms zelfs kilometers. Zo kunnen ze het vermogen van wortels om stoffen uit de bodem op te nemen tot wel 1000 keer vergroten en in ruil krijgen ze van de boom suiker.

Als zo’n zwamvlok de kans krijgt door te groeien zal ze ook bomen met elkaar verbinden zodat die onderling informatie kunnen uitwisselen. Dat wordt nog onderzocht, maar of ze die kans krijgen in de stad? Laat de oude bomen met rust en ook de grond er om heen en je zult beloond worden. In ieder geval met paddenstoelen.

 

Het meest persoonlijke brood (Is dit ook stadsnatuur?) oktober 7, 2013

eigen zuurdesembrood

eigen zuurdesembrood

De geur die me het meest gelukkig maakt is die van vers gemalen graan. Dat heb je als je opgroeit achter een molen op de mooiste plek op aarde. Het hele palet aan vluchtige stoffen die uit het graan ontsnapt is net zo rijk als alles wat het dorpje waar ik mijn vroege jeugd doorbracht te bieden had. De geuren van de vuurtjes die de boeren stookten, onze keukenstoof op dennenappels, koeien, verse melk, verse mest, hooi, hei, zoet beekwater, zand en dorpsstof, de vliegen en het mysterie van de meisjesschool. Nu woon ik in de stad, maar mijn hele dorpje zit nu verborgen als een onzichtbare schat in mijn eigen graanmolen.

Graan, de meest belangrijke voedselbron sinds de prehistorie. Je kunt er veel van maken zoals pap, brij en klont. Maar het lekkerste is toch wel brood.

Het meest algemene brood is een gistbrood van de bakker. Gist is een eencellige schimmel waarvan wel 1000 soorten bekend zijn. Nu schijnen er 15 soorten bijzonder geschikt te zijn waarvan er maar één heel veel ingezet wordt. Die ene gistsoort die zich overal thuis voelt en de hoogste productie heeft wordt gebruikt door bijna alle bakkers. Net als bij onze koeien, varkens en kippen, groenten wordt dus slechts gebruik gemaakt van een enkele variant uit het schier oneindige scala dat de natuur ons te bieden heeft. Voor de Saccharomyces cerevisiae is een bal natte bloem luilekkerland. Hij lust alles wat daar te vinden is, de geit onder gisten. Helaas voegt hij weinig toe aan de smaak. Wat hem vooral nuttig maakt is de grote hoeveelheden koolzuurgas die hij uit poept. Maar welke gist je ook gebruikt, het blijft alleen gist. Daarom ben ik een liefhebber van zuurdesem, want daarin zitten naast gist namelijk ook echte smaakmakers.

Het meest persoonlijke brood is van zuurdesem uit eigen keuken. Net als de mens draagt een graankorrel micro-organismen bij zich, die hem na zijn dood mee helpen te verteren. Maar wanneer je het graan vermaalt krijgen ze gezelschap. Dan storten zich een heel scala aan lokale eencelligen op deze goddelijke geuren. Bij mij, omdat ik zelf maal, zijn deze afkomstig uit de onzichtbare microwereld die zich rond mijn aanrecht, gasfornuis en koelkast gevormd heeft. Dit zijn de gisten en melkzuurbacteriën die zich het beste thuis voelen in mijn omgeving. Een selectie uit de enorme hoeveelheid verschillende soorten die tot nu toe gevonden zijn. Binnen een aantal dagen ontstaat naast een koolzuurgasfabriek, een veelheid aan aroma’s, zoeten en zuren. De microbiële samenstelling in desems verschilt niet alleen per land maar zelfs per stad. En hoogstwaarschijnlijk ook per keuken, al is dat bij mijn weten nog nooit onderzocht. Dat de desem uit mijn eigen keuken een uniek brood oplevert is in ieder geval door mezelf al vele malen aangetoond. En voor mij zijn het mooie herinneringen gevangen in mijn eigen brood.

Mijn graanmolen

Mijn graanmolen

 

Een zeldzaam exemplaar september 1, 2013

Filed under: Stadsnatuur — Han van Hulzen @ 9:06 am
Tags: , , , , , ,
blogfoto

Remko Andeweg en “zijn” Artemisia argyi

Hoeveel moeite kun je doen om een zeldzame plant te bemachtigen die de doorsnee mens geen blik waardig zou gunnen? Een onbekende variant op het woekerkruid Bijvoet. Remko Andeweg vroeg een vergunning aan om op een steiger te mogen klimmen en volgde er een veiligheidscursus voor. Zo kon hij de berm langs de A20 bereiken. Met trots toont Remko de Artemisia argyi uiteindelijk opgekweekt in eigen tuin en na maanden recherchewerk op naam gebracht door een artikel uit een obscuur Turks tijdschrift.

In de Botanische tuin in de Afrikaanderwijk kun je meer van dit soort “onopvallende” planten met een fantastisch verhaal zien. Op velen ervan bleef ergens in de omgeving van de haven ooit het oog van Remko rusten. Een zeldzaam exemplaar, een vreemde variant, een ongebruikelijke kruising, noem maar op. Al rondleidend wijst Remko op een veldje hoogst curieuze tongvarens. Één plant zoals die door God bedoeld is, met daaromheen tot krankzinnige vormen gemuteerde exemplaren. Het is dat ze het zo leuk doen op de vensterbank anders hadden we hier nooit zo’n mooi voorbeeld van natuurlijk variatie kunnen beleven. Dit zijn de varianten die het niet redden in de wilde natuur. Maar waar er soms eentje bij zit die het net iets beter doet dan de oorspronkelijk vorm. Natuurlijke selectie zoals Darwin het als eerste doorgrondde. Dat leer je hier in deze tuin die jaren geleden door Remko Andeweg nieuw leven ingeblazen is.

Oorspronkelijk was het een botanische schooltuin bij een HBS. En zoals dat gaat raken dingen uit de mode, er is geen geld meer voor. Dit weggedoken plekje werd vergeten en mocht jaren ongestoord woekeren. Van alle ooit door mensenhanden aangebrachte patronen was uiteindelijk niets meer te herkennen. Toch ontdekte Remko 25 jaar terug de oude koolaspaden, legde ze bloot en maakte het educatieve patroon dat in deze woestenij verdwenen leek weer zichtbaar.

De tuin ligt nog steeds verscholen, maar het is de moeite waard hem te (be)zoeken.

http://botanischetuinafrikaanderplein.wordpress.com/

foto van verschillende Tongvaren variaties

Tongvaren variaties

 

De dood in het park augustus 29, 2013

Filed under: Stadsnatuur — Han van Hulzen @ 11:09 am
Tags: , , , , ,
foto van Taxus cuspidata vrucht

Taxus

Je reutelt nog wat en binnen enkele ogenblikken ben je bewusteloos en sterf je. Het stofje dat dit veroorzaakt is te vinden in de meest doodgewone parken, waar we vooral onze hond graag even uitlaten na ons werk. In het lieflijke sierappeltje of een romantische kers die daar groeit, schuilt ook de dood. Het vruchtvlees mag je opeten van zo’n struik of boom maar op het eten van het zaad staat een zware straf. Een kleine wandeling door een park kan met een beetje fantasie de gestalte van een gruwelkabinet aannemen. Bij het passeren van een Taxus zie je de verleidelijke rode besjes hangen die je zo naar de andere wereld helpen en niet zo zachtzinnig ook. Braken, stuipen, hallucinaties lijken eeuwig te duren voor de hartstilstand intreed. En er is meer giftigs aan deze boom. Ooit een dood paard tegengekomen? Die heeft aan een paar naalden genoeg gehad.

Even verderop treffen we de Rododendron waarvan sommige soorten zelfs giftige nectar hebben, je merkt het pas na twee uur, dus hebben we nog even tijd verder te wandelen voor de duizelingen beginnen. Ah, de Levensboom, loop er liefst met een bochtje omheen, alle delen zijn giftig. Ga naar huis en lees nog een Agatha Christie, veel plezier!

 

‘n Bries over het Eiland van Brienenoord juli 10, 2013

foto Sproetnik (voorstelling st. 'n Bries, Eiland van Brienenoord

Sproetnik

Duizenden mensen rijden er dagelijks overheen zonder het te beseffen. Eén van de mooiste stukjes natuur in Rotterdam. Lang geleden waren veel rivieren in Nederland omzoomd met ooibos. Waar het getij doordrong had je wilgenvloedbos. Nu is het zeldzaam. Het mooie is, dat als je even met je vingers van zo’n door zoetwatergetijde omringde zandplaat afblijft, het bos binnen de kortste keren terug is. Dat kun je nu beleven op het Eiland van Brienenoord.
In een bedrijvenpark vol met de bekende blokkendozen en olievlekkerige parkeerplaatsen, is er, daar waar je niets meer verwacht, een hele smalle brug. Het is er vaak stil zoals het een nietsig eindpunt betaamt. Maar sinds twee zomers is het de eindbestemming van bussen vol kinderen. Onder het bruggetje stroomt het water on-Rotterdams snel. Aan de andere kant staat stewardess Els Lepelaar alias Joke Olthaar van stichting ’n Bries om de kinderen in een meer dan sprookjesachtige wereld binnen te leiden. Een ruigte waar je fantasie op hol slaat en je je afvraagt: ben ik nog steeds in Rotterdam? Vervaarlijk uitziende Schotse Hooglanders banjeren gemoedelijk rond, aan alles knabbelend wat op hun weg komt. Tijd om lang te schrikken is er niet, zoveel is er te zien. We passeren een onverwacht heldere poel. Het lijkt het meest op een oude bomkrater, waar nu kinderen misschien voor het eerst van hun leven met een schepnetje de meest wonderbaarlijke dieren naar boven halen. Salamanders, schaatsenrijders, bootsmannetjes noem maar op. Prik je je aan een brandnetel, dan wrijf je er even met een hondsdrafblaadje overheen en weg is de pijn. De Hondsdraf heeft al kruipende het hele eiland van een liefelijk groen paars laagje voorzien. Op het hoge deel van het eiland staat het vol met wild fruit, kersen, appels en peren. En het is niet verwonderlijk dat dit ook een walhalla is voor de vogelkenner.
Als de alien Sproetnik alias Bart van Lieshout uit zijn zilverglimmende ruimtecapsule kruipt en de geheimen van de natuur ontdekt in een duizelingwekkende rap, raken de kinderen in extase. Net zo buitenaards lijkt vervolgens de microwereld in de kruidlaag langs de kreken waar ze met een loep overheen kruipen. Ze vinden er de fel gestreepte zebrarups, pissebedden, landdieren met kieuwen, en oersterke mieren. Haren op blaadjes? Nooit eerder gezien, waarom zijn die er? De wilde kreek trekt als een magneet. Gooi er een steen in en zie hem verdwijnen in de zachte modder. Dan nog even vuurtje stoken, niemand die er hier last van heeft.

http://www.nbries.nl/

 

Wil ik gegeten worden? mei 13, 2013

foto van een Paardenbloem

Paardenbloem

Als plant vraagt je je waarschijnlijk niets af, maar heb je wel een strategie. Die moet er voor zorgen dat je zoveel mogelijk succesvolle nakomelingen nalaat. Dan verpak je bijvoorbeeld je zaden in een heerlijk zoet en voedzaam jasje zodat ze door een argeloze eter op een gunstige plek terecht komen. Misschien zelfs met wat mest als het mee zit.
Je kunt je ook helemaal op laten eten. Dat gebeurt meestal niet geheel vrijwillig, want je bent dan door de mens zo opgekweekt dat je lekker zoet smaakt, van top tot teen. Maar dan kun je vaak wel zeggen, dit hele veld, dat ben ik. En als ik met al mijn klonen ben opgegeten, ben ik ook weer het volgende veld. Onsterfelijk zonder concurrentie, wat wil je nog meer!
De meeste planten hebben zich echter gewapend tegen vraat. Snel en langzaam werkend gif, stekels, vezels, noem maar op. Maar je kunt je geld maar een keer uitgeven, ook planten. Naast de constante bedreiging opgegeten te worden is er in de wilde natuur een schaarste aan licht en voedsel. Er vindt dan ook een continue heftige strijd plaats tussen planten zowel onder als bovengronds. Een plant moet dus kiezen tussen of keihard groeien of zich bewapenen.
Maar zo wild is het hier helaas niet meer. Dankzij de mens leven planten bij ons in een permanente snackbar. En in onze parken is ook nog eens alle concurrentie weg geschoffeld. Zwaar bewapende en snel groeiende veelvraten zoals de Grote Brandnetel, Kleefkruid of de Reuzenberenklauw grijpen hun kans. Zonder de dagelijks arbeid van een leger plantsoenarbeiders zou het gauw een ondoordringbare wildernis worden.
Gelukkig valt er toch veel te snoepen in de stad. Heel veel van de ons omringende kruiden zijn eetbaar en zelfs heerlijk. En de veelvraten zijn zelf vaak zeer voedzaam. De Paardenbloem en veel andere voor onkruid versleten planten zijn vergeten groenten van weleer. Anderen zoals de elegante Kompassla zijn nauw verwant of rechtstreekse voorouders van de varianten die we dagelijks eten. Ga zelf op zoek en ontdek waar je zintuigen voor bedoeld zijn, herken weer de kleuren en geuren die zeggen ik ben giftig of eetbaar. De natuur is overal ook in de stad.

 

 
%d bloggers liken dit: