Over natuur en de stad

door Han van Hulzen

Het mysterie van de lente april 24, 2018

Filed under: Stadsnatuur — Han van Hulzen @ 7:50 am
Tags: , , , ,

Waren er ooit mensen die dachten dat kale winterbomen dood zijn, zoals ik iemand een keertje hoorde vertellen? Een klein wonder lijkt het wel. Maanden lang is er dat kale schijnbaar levenloze kale takken staketsel. Het precieze moment waarop het begint lijk ik altijd te missen, maar ineens is er die groen-roze zweem. Gezwollen bloem- en bladknoppen, een eerste nog wat kreukelig babyblad. Een weergaloze timing hebben ze. Voordat de extreme kou begint vallen de bladeren af en nog tijdens de laatste frisse winterdagen weten ze blijkbaar dat de lente in aantocht is. In planten gaat blijkbaar veel meer om dan wat er zo aan de buitenkant te zien is.

Planten zijn beslist geen passieve waarnemers van hun omgeving. Dat zou ook vreemd zijn als je bedenkt dat aanpassingen precies op tijd klaar moeten zijn en dat vergt wat voorbereiding. Dus voor het zo ver is, moet de plant al beginnen om het gewenste proces in gang te zetten. Anders zouden bijvoorbeeld bloemen pas verschijnen als bestuivers al over hun top zijn. Er zit voor planten een voorspellende waarde in de als maar variërende dag- en nachtlengte. Zo wordt de werking van een circadiaan ritme, een biologische 24 uurs klok in planten, de laatste jaren steeds verder ontrafeld. Deze interne klok zorgt er niet alleen voor dat een plant ’s avonds in rust toestand gaat en ’s ochtends weer actief wordt. Over langere tijd worden door middel van de langzaam veranderende daglengte ook de seizoenen waargenomen.

Planten zien eigenlijk veel meer dan wij, tenminste als je de gevoeligheid voor verschillende lichtfrequenties vergelijkt. Een mens komt niet verder dan alles tussen blauwgroen en rood met een piek in het geeloranje. Planten daarentegen “zien” en benutten een veel breder lichtspectrum van UV A tot verrood (nabij het infrarood). En, met niet een enkele piek zoals wij, maar een relatief hoge gevoeligheid over het de hele gebied.

Maar hoe nemen ze licht eigenlijk waar? Hebben wij als mens slechts twee ogen, planten hebben ze eigenlijk overal. Niet alleen in de bladeren, maar ook in knoppen en overal waar licht door kan dringen tot actieve cellen. Zelfs tot cellen in jonge twijgen en onder dunne schors van dikke stammen, zoals bij de berk is aangetoond.

Maar hoe wordt het licht dan gezien? Er is een familie van lichtgevoelige eiwitten in de cel de zogenaamde fytochromen die onder invloed van licht van vorm kunnen veranderen. Zo nemen ze onder andere de veranderende daglengte waar. Fytochromen zorgen voor het reguleren van de interne klok en ook activeren zij hormonen. Net als in ons eigen lichaam zijn hormonen ook bij planten boodschappers die allerlei processen in gang zetten zoals groei, rust of allerlei beschermende maatregelen tegen uitdroging.

Gedurende de seizoenen wordt de groei van een plant gestuurd in een subtiel samenspel van allerlei regulerende mechanismen.  Het zijn geleidelijke processen die als een sinusgolf door de seizoenen heen gaan. Er zijn piek momenten zoals hoge groei in de zomer en extreme winterrust van knoppen midwinter.

Als de dagen korter worden, de nachten langer en de temperaturen lager, komen er geleidelijk processen op gang binnen een plant als voorbereiding op de winter. De betrouwbare verandering in daglengte zet de zaak in gang, en niet de temperatuur want die kan erg kan schommelen. Het hormoon abscisinezuur (ABA) zorgt dan dat knoppen in winterrust gaan. Bij veel houtige gewassen is er een dubbele veiligheid ingebouwd, zodat het uitlopen niet te vroeg begint. De interne groeirem wordt pas doorbroken na een weken lange koude periode. Dan treed er een nieuwe externe groeirem in werking en die gaat er pas af als de omstandigheden echt gunstig zijn. Daar kunnen dus weken tussen zitten en zonder dat je het door hebt zijn dood uitziende bomen en struiken zich al aan het voorbereiden op de naderende lente.

Dan is het zo ver, het is lente. Cytokininen en gyberalinen worden aangemaakt en  deze hormonen doorbreken de knoppenwinterslaap. Alle signalen binnen de plant staan op groen om de knoppen open te laten springen. Er is ineens veel water nodig en voedingstoffen. Het eerste zetje wordt gegeven door de wortels. Duizenden micromotortjes in de haarwortels beginnen actief water naar binnen te pompen. Tegelijkertijd begint de eerste verdamping en omdat de watermoleculen als het ware aan elkaar plakken (cohesie) en aan de celwanden (adhesie) van dunne houtvaten, wordt het water omhoog geduwd en getrokken.

Is hiermee het mysterie van de lente onthuld? Nee, slechts een tipje van de sluier is hier opgelicht en het blijft gelukkig een “wonder der natuur”.

foto: Captain-tucker

Advertenties
 

Mijn tuin november 14, 2016

Filed under: Stadsnatuur — Han van Hulzen @ 11:51 am
Tags: , , , , ,

WP_20160527_09_23_19_Pro gimp

Bij een stadstuin denk je al gauw aan de term postzegel. Aan mijn eigen postzegel hoe klein ook, valt echter veel te beleven. Mijn tuin is er een die door buren als niet onderhouden, verwilderd, of zelfs mislukt beschouwd wordt. Ooit begon het inderdaad als een oord waarin je niet graag wil vertoeven. Een dumpplek van puin en alles waar je snel vanaf wilt, je kan het zo gek niet bedenken. Veel antiek kinderspeelgoed vond ik er. Het stonk er geweldig naar kattenpis en lekkende riool. Een buurvrouw gooide er geregeld vanaf het balkon halve broden naar beneden “voor de vogeltjes”. Enfin geen fris zaakje. Het beste was het deze onheilsplek te vergeten, en dat deed ik dan ook jaren. Zonder dat ik er notie van nam was er een woekerende strijd gaande op het door mij vergeten territorium met winnaars en verliezers, waarbij zelfs de meest halsstarrige en onuitroeibaar geachte soorten soms het loodje legden.

De Hazelaar, het symbool van groeikracht en bijgeloof dat was mijn hazelaar. Een vele tuinen overschaduwende woekering van takken, bladeren en al hun kleine bewoners. Vergeten fruitbomen, zoals de oude stronken die ooit rijk pruimen gedragen hadden. Geen kant meer uit kunnende zoeken ze ondergronds verder hun weg naar een oord met meer licht. Door een keukenraampje kwam er soms een tak naar binnen van de fel groeiende esdoorn. Zo’n tak geeft troost. Maar het groen werkt traag maar gestaag door met haar woekering en zou langzaam mijn hele huis hebben overgenomen als ik niet had ingegrepen. Ook nieuwe buren raakten in opstand. Mijn wildernis was eigenlijk geslaagd en moest opnieuw overwonnen worden.

’s Middags dacht ik nog wel eens aan een grondige kap, terwijl ik de duistere takkenwildernis in staarde. Zo iets vereist bijna een deltaplan, om moedeloos van te worden. Maar ’s ochtends was dit gevoel altijd geheel vervlogen. Dan werd ik wakker met het vrolijk tevreden geluid uit vele vogelkeeltjes die in mijn ondoordringbare wild hun walhalla gevonden hadden.

Mijn wereld was als het ware één geworden met de langzaam maar gestaag doorwoekerende natuur. De wereld er om heen veranderde stukken sneller. Dat kan als je de duizenden jaren vastgelegde energie omzet in een paar uur motorgeweld. Dan knapt je buurt ineens heel snel op. Het werd zelfs hip. Dat klinkt leuk, maar wat houdt dat eigenlijk in? Na veel binnenshuis geploeter ontdekten de nu met het aanpakvirus besmette hipsters hun tuin. Het duurde niet lang of zon aanbiddende tuintegel liefhebbende omwonenden stonden met motorzagen in de aanslag te wachten tot ik even uit zicht zou verdwijnen.

Het was onoverkomelijk, ik heb mijn tuin weer in het pioniersstadium terug gebracht. Echte natuur is strijd, is vaak moeilijk toegankelijk, dat wist ik al. Maar het blijft spannend. Tussen takkenbossen en slordig gestapelde stammetjes scharrelen nu de vogels op zoek naar insecten. Zonovergoten wordt mijn tuin nooit en er ontstond door mijn toedoen een massieve woeker van Reuze springbalsemien in vele tinten paars en violet. Het gedijt goed op natte schaduwrijke plekken, en aan de zoete weeë geur moet je ieder jaar weer even wennen. In de zomer gonsde het van de bestuivers en er doorheen lopen deed ik niet meer toen ik op een dag per ongeluk op een aardhommelnest stapte. Onlangs plante ik er, voordat de springbalsemien nog gekiemd was een nietig plantje waarvan ik hoopte dat hij het zou redden. Dit bovengronds muizig uitziende Gewone ereprijs, bleek ondergronds een krachtpatser. De springbalsemien is geheel verdreven uit Han’s tuingebied. Het zachte paars op een meter hoogte heeft plaatsgemaakt voor een azuurblauwe bodem. Ik loop er nu weer doorheen, het kan weer.

 

Het jaar van de bodem juni 2, 2015

wortel verlengt met schimmeldraden

wortel verlengt met schimmeldraden (foto: Aberdeen Mycorrhiza Research Group)

Het element aarde wordt in veel religies gezien als de bron van het leven. Toch is het besef en de kennis van wat er allemaal in de bodem omgaat niet groot in vergelijking met het bovengrondse. Misschien ook logisch want het is niet alleen ondergronds, maar de processen voltrekken zich grotendeels in de extreem kleine wereld van de bodemmicroben en het ragfijne schimmelnetwerk. Een gigantische chemische fabriek.

Je moet je voorstellen dat in een gram grond zo’n half miljoen bacteriën en schimmels leven die een enorme diversiteit aan functies vervullen. Twee maal de bevolking van Rotterdam op een mespuntje. Van die functies zijn er tot nu toe maar enkele bekend en die zijn al spectaculair. Toepassingen worden nu gezien voor een meer duurzame en productieve landbouw die beter bestand is tegen klimaatverandering. En dan is er ook nog een medicinale toepassing gevonden. Dit schreeuwt om meer aandacht en daarom  riep de Wereldvoedselorganisatie FAO 2015 uit tot het Jaar van de Bodem.

Loopt het tijdperk van het diepploegende mestverspillende boeren ten einde? Al lang halen we de voedingstoffen voor onze voedselgewassen van ver. Het krachtvoer van “nogal” milieuonvriendelijke mega grote sojaplantages uit verweglanden wordt door onze koeien en varkens omgezet in gigantische hoeveelheden mest. Fosfaat komt uit mijnen die langzaam uitgeput raken. Deze overvloed aan mineralen wordt vervolgens diep door de aarde geploegd en het teveel “verrijkt” ook meteen alle omliggende natuurgebieden. Dan spuit je er nog een wolkje insectenverdelger overheen en groeien maar. Maar wat blijkt, alles wat onze voedingsgewassen nodig hebben is eigenlijk al in de bodem aanwezig.

In een natuurlijke bodem worden afgevallen bladeren, dode planten en dieren door o.a. wormen, nematoden, en springstaarten deels verteerd. Deze gangengravers en opruimers veroorzaken als bonus ook nog eens een luchtige bodemstructuur. Een dynamisch bouwwerk van gangen en wegen, waardoor water en lucht diep kan in de bodem kunnen doordringen. Na deze voorbewerking wordt het organisch materiaal uiteindelijk door schimmels en bacteriën omgezet in mineralen. In tegenstelling tot de overmatige toediening van drijfmest is dit een gedoseerde manier van voedselvoorziening voor de plant.

Planten hebben echter wel wat hulp nodig om alle bodemschatten te benutten. Sommige stoffen zoals de slecht oplosbare fosfaten zijn voor planten moeilijk op te nemen. Ook hier is overvloedig bemesten echter helemaal niet nodig. In een natuurlijke bodem krijgen ze die stoffen namelijk via bacteriën en schimmels die rond, op en zelfs in de wortels leven. Het is een subtiel samenspel tussen plant en microbe. Soms vormen van samenleven en samenwerking waar bij beide voordeel hebben, zowel de plant als zijn “kleine” helpers. Een kwestie van geven en nemen. Krijg ik van jou stikstof of fosfor dan krijg je van mij suiker.

Schimmeldraden bestrijken vaak enorme oppervlaktes en kunnen zo als een waardevol verlengstuk van plantenwortels dienen. Uit recent onderzoek zijn er nu aanwijzingen dat ze mogelijk ook werken als een soort telefoondraden waardoor informatie wordt doorgegeven van plant naar plant. Een plant wordt aangevreten door een luis en de omliggende planten worden meteen gewaarschuwd en bewapenen zich snel.

Extreem droge periodes zijn een van de ons voorspelde gevolgen van de dreigende klimaatverandering. Een doemscenario voor de landbouw zou je zeggen, maar een nieuwe bodemvriendelijke manier van landbouw biedt waarschijnlijk de oplossing. Onlangs is aangetoond dat planten op een bodem met een hoge diversiteit aan bodemorganismen beter beschermd worden tegen uitdroging dan als ze groeien in een intensief bewerkte microbieel arme bodem.

Al deze positieve effecten van een divers bodemleven zijn vrijwel zeker nog maar een eerste glimp van wat het te bieden heeft. In het algemeen wordt nu gedacht dat de enorme diversiteit aan ondergrondse micro-organismen zelfs voor een groot deel bepalend is voor de diversiteit die we bovengronds waarnemen. En dat tuinieren zo populair is zou  best eens verband kunnen houden met de antidepressieve werking die veroorzaakt wordt door specifieke bodembacteriën. Gaat Mycobacterium vaccae ons van onze stress afhelpen? De eerste aanwijzingen zijn hoopgevend.

 

Angst voor de leegte maart 16, 2015

Filed under: Stadsnatuur — Han van Hulzen @ 1:43 pm
Tags: , , , ,
"Tripleurospermum maritimum 09" by Bjoertvedt - Own work. Licensed under CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons - http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Tripleurospermum_maritimum_09.jpg#/media/File:Tripleurospermum_maritimum_09.jpg

Reukloze kamille (by Bjoertvedt)

Er hoeft maar een richeltje te zijn tussen wat tegels, of een pionierplant weet zich er binnen de kortste keren te vestigen. Pionierplanten duiken op wanneer er een huizenblok wordt gesloopt of een stuk land braak komt te liggen. Tussen straattegels is dat vaak Klein kruiskruid, Canadese fijnstraal en Knopkruid. Klaprozen en Reukloze kamille groeien graag op opgespoten terreinen. Op paadjes groeien de zogenaamde tredsoorten die door wandelaars alsmaar worden verstoord, zoals Grote weegbree en Varkensgras.
Heeft de natuur angst voor de leegte? In de natuur geldt de horror vacui. Onbegroeide, kale maagdelijke grond zal nooit lang bestaan.
De typische pionierplant is een alom aanwezige kolonist die met enkele bloempjes de atmosfeer met duizenden minuscule zaadjes weet te vullen. Al overleven honderden het niet, dat maakt niets uit. Met hun nietigheid weten ze meegevoerd door de wind enorme afstanden te overbruggen. En ondanks het weinige reservevoedsel dat ze bij zich dragen overleven ze velen jaren in de bodem. Ze wachten hun kans af als het ware.
De een of tweejarige pionierplanten vormen een eerste humuslaagje en zijn het begin van successie. Een hele reeks veranderingen in de soortensamenstelling totdat het zogenaamde climax-stadium bereikt wordt. Dat is meestal een bos.
Voor successie is in stad nauwelijks ruimte, het is ongewenste verwildering. Soms gaat het stiekem toch zijn gang op een onbespiede plek. Dat zijn je mooiste jeugdherinneringen.
Vroeger, ja toen was het heel anders. Rivieren kronkelden als levende slangen door het landschap, overal nieuwe ruimte creërend voor pionierplanten . Alsmaar met nieuw zand aangroeiende rivierduinen, natuur die verdrinkt en opnieuw moet beginnen. Het eldorado voor pioniers. Nu hebben we onze waterschappen die blijkbaar allemaal op hun eigen manier de waterstromen in bedwang houden. Er moet toch wat te kiezen zijn niet waar?
Pionierplanten , we zijn er dol op. Niet alleen zijn het uitbundige groeiers en bloeiers maar ze zijn ook voor een groot deel ons dagelijks voedsel. Het overgrote deel van onze groenten is namelijk ontwikkeld uit pioniers. Deze zoete vezelloze en gifvrije dikbuiken zijn hun concurrentiekracht al lang geleden kwijt geraakt. Maar in onze akkertjes willen alle pionierplanten graag groeien, wild en tam, vooral als we er nog wat mest op strooien. Dan kunnen we weer wieden, de rustgevende hobby van de moderne stadsmens. Leve de pionierplant , maar laat de natuur na het pionierstadium hier en daar ook nog even zijn gang gaan. Dan zien we ook nog eens hoe natuur ontwikkeld zonder tussenkomst van de mens.

 

Bomen in de winter februari 26, 2015

Filed under: Stadsnatuur — Han van Hulzen @ 9:43 am
Tags: , , , , ,
foto Gladde iep in Spangen Rotterdam

Gladde iep in Spangen Rotterdam

Bomen zijn betoverend in ieder jaargetijde. In de zomer laat je je mijmeringen de vrije loop bij het ritselen van bladeren en het tikken van de stam. Nu al beginnen de vogels met het claimen van een plekje onder het beloofde bladerdak hoog boven de helse onderwereld van de straatkatten. Onder het eerste gekwetter kunnen we nog even genieten van de kale staketsels van stammen en takken, waarin de hele geschiedenis en het karakter van iedere boom besloten ligt. Scherp afgetekend tegen een staalblauwe lucht zijn de silhouetten op zijn mooist. Het zijn niet zo maar takkenbossen, maar er zit een patroon in dat voor iedere soort uniek is. Je hebt de koepels, vazen, ovalen, piramidalen, zuilen schermen en treurvormen. De architecten van onze stadsparken hebben hier dankbaar gebruik van gemaakt.

Wetenschappers proberen groeipatronen al tientallen jaren te vangen in algoritmen. Het lijkt bijna een onmogelijke opgave want wat je er ook op los laat, zo mooi als een echte boom wordt het bijna nooit.
Om een boom te laten groeien in je computer, kun je de cellulaire automaat gebruiken, waarbij patronen ontstaan via een vorm van zelforganisatie net zoals in de echte natuur. Dit principe is door John von Neumann, gebruikt om de eerste machine te maken die zichzelf kon nabouwen. Maar het kan nog beter en mooier. Benoît Mandelbrot  bedacht de term “fractal”, Sommige fractals bestaan uit een zich op ieder schaal alsmaar herhalend patroon. Van de “(Noam) Chomsky hiërarchie” die talen inzichtelijk maakt door ze in specifieke productieregels te beschrijven, leidde de theoretisch bioloog Aristid Lindenmayer een systeem af waarmee je het groeipatroon van planten kunt simuleren. Dit zogenaamde L-systeem wordt ook gebruikt om fractal-achtige vormen te creëren. Omdat in de natuur vaak ook dezelfde vormen zich op verschillende schalen herhalen kun je hiermee de gedaantes van veel organismen wonderbaarlijk goed nabootsen, ook die van bomen.
Als je een boom bekijkt aan de hand van deze mathematische regels gaat er een nieuwe wereld voor je open. Dan besef je bijvoorbeeld dat hele kleine verschillen in groeipatronen van bomen kunnen leiden tot grote verschillen in kruinen. Dat er schijnbaar relatief eenvoudige formules ten grondslag liggen aan natuurlijke vormen, maar dat het unieke karakter van een boom schuilt in het onvoorspelbare.

foto Fractale boom

Fractale boom

 

 

Herfst en winterbloeiers in de stad december 18, 2014

Filed under: Stadsnatuur — Han van Hulzen @ 11:30 am
Zegekruid

Zegekruid (Nicandra physalodes)

Na de eerste nachtvorst heeft zij het opgegeven, het grootbloemig violetbloeiende Zegekruid tussen de straattegels voor mijn huis. Bloeiend tot de laatste snik, en dat levert veel nakomelingen op. Ondanks het gebrek aan insecten in dit jaargetijde zitten haar lampionnen vol met zaden. Zelfbestuiving is dé oplossing voor veel exoten die bloeien als de meeste inheemse soorten al half aan hun winterslaap begonnen zijn. Een manier om je razend snel te verspreiden terwijl de anderen even niet opletten zo lijkt het. De stadse exoten leven nog in het seizoensritme van de gebieden van herkomst. In Peru, het moederland van Zegekruid is het nu gemiddeld zo’n 25 graden Celsius. En duizenden jaren evolutie buig je niet zo maar om. Voor het Zegekruid is het nu eigenlijk een ongebruikelijk koude lente. En als tropische plant weet ze onze winterperiode als zaadje toch verrassend eenvoudig te overbruggen.

Zo zijn er meer exoten die nu volop in bloei staan zoals het Harig knopkruid met zijn nietige vergrootglasschoonheid. Ook een van oorsprong tropische soort uit Zuid Amerika. Maar zelfbestuiving maakt dat ook sommige inheemse soorten nog een laatste kans aangrijpen zich voort te planten, zoals het Madeliefje en het Klein kruiskruid. Echte onuitroeibare straatvechters. Je kunt ze zo vaak plat trappen, plukken en maaien als je wilt, maar ze blijven terugkomen met bloemen bijna het hele jaar rond. Dan nemen ze het beperkende effect op hun genetische variatie op de koop toe.

En dan heb je natuurlijk nog de gemeentelijk plantsoenplanten. Vaak juist geselecteerd op hun ongebruikelijke bloeiperiode zoals de Japanse Voorjaarskers en diverse Aziatische Sneeuwbal varianten. Die planten zich in het geheel niet voort hier, maar dat was ook de bedoeling.

 

De kleur van bladeren november 1, 2014

Filed under: Stadsnatuur — Han van Hulzen @ 5:42 pm
Tags: , , , , , , ,
foto Heemraadssingel eind oktober 2014

Heemraadssingel eind oktober 2014

In de herfst valt het ineens op, zoals veel wat vanzelfsprekend is pas opvalt als het dreigt te verdwijnen. Het enorme tableau van tinten groen, van de miljoenen bladeren die de hele lente en zomer bijna ongemerkt ons gemoed kalmeerde, begint te veranderen. We ademen er niet minder om, want ons levensvoorwaardelijke bladgroen komt weer terug, dat is de afspraak. Zoals bij een naderend zonne-einde verdwijnt het groen in een stille explosie van kleuren. Maar wat betekenen al die kleuren en hoe ontstaan ze?

Als de kou nadert en veel bomen en struiken hun bladeren kwijt willen, halen ze eerst belangrijke voedingsstoffen terug uit het blad. Die zitten vooral in de bladgroenkorrels, de ontelbare kleine groene fabriekjes die ons van zuurstof voorzien met licht als energiebron. Wat overblijft geeft het blad zijn herfstkleur. Combineer de geel en oranje kleurende carotenoïden met de rood tot blauw kleurende anthocyanen en je hebt het hele herfstpalet. Deze stoffen zijn er niet speciaal om ons te behagen, maar beschermen het bladgroen tegen te veel zonnestraling en vraat.

Waar je minder bij stil staat zijn alle verschillende tinten groen in het groeiseizoen. Die hebben allemaal een betekenis. Mensen schijnen zelfs gehecht te zijn aan het groen uit hun omgeving zo heeft onderzoek uitgewezen. Het ratjetoe aan kleuren van de exoten en de gekortwiekte inheemse struiken en bomen vertellen ons dat we in de stad zijn, op ons eigen plekje.

De algemene kleur groen van een vegetatie zegt veel over een plek. Zonder er enige kennis van te hebben zie je in één oogopslag aan de vegetatiekleur of je in een droog of in een nat gebied bent. Het geeft uitdrukking de seizoenen, van het lichtdoorschijnend groen in de lente tot het meer donkere groen in de zomer.

Er zijn verschillen in de verdeling van bladgroen binnen bladeren die er voor zorgen dat ze het licht zo optimaal mogelijk kunnen benutten. Zo heb je de schaduw-aangepaste donkergroene plantsoenplanten. En zelfs binnen een en dezelfde boom vind je typische licht- en schaduwbladeren, verschillend in dikte, oppervlakte en groentint. En sommige schaduwbladeren zijn zelfs zo aangepast dat ze de tijdelijke hele korte en felle lichtvlekken kunnen benutten als hun bovenbuurman eventjes door de wind opgetild wordt.

Aan bladgroen kun je ook aflezen of het de planten ergens aan ontbreekt. Zoals het alarmerende bleekgroen, als je je kamperplant eens vergeten bent water te geven. Of een tekort aan een specifieke voedingsstof; vergeling bij ernstig stikstof gebrek, blauw- tot paarskleuring bij fosfaat gebrek of bruine randen bij kaliumgebrek. Enfin, deze kleuren zullen we in onze goed bemeste plantsoenen niet snel aantreffen. In de stad worden we vooral verkwikt door onze eigen vele tinten buurtgroen.

 

 
%d bloggers liken dit: